Een regiment van het keurvorstelijk Hannovers leger uit 1735.
Het bataillon dat in Doesburg overnachtte, zal er niet zo feestelijk hebben uitgezien.

Hoe een verblijf van één nacht volkomen uit de hand liep

Terwijl de mannen van kolonel Horn de weg naar de Ooipoort inslaan vergadert in het stadhuis het stadsbestuur. De schepenen (wethouders) en de burgemeesters (in de 18e en 19e eeuw waren er vaak twee burgemeesters) nemen alles nog een keer door. Ze weten dat het regiment Hannoverse troepen in aantocht is.

Het stadsbestuur was behoorlijk geschrokken. Enkele dagen geleden kwam de opdracht van Gedeputeerde Staten van het Graafschap Zutphen. Doesburg moest voorzieningen treffen om een regiment Hannoverse troepen onderdak te verschaffen. Voor één nacht. Daarna zou het regiment doortrekken naar Zutphen waar ze langer zouden verblijven.

Het stadsbestuur had toegestemd; een weigering zou ook absoluut niet getolereerd worden. Maar hoe moest dit in enkele dagen worden georganiseerd? Zoveel mensen in zo’n kleine stad! En dat terwijl er al een vast aantal militairen hier in garnizoen lag? In allerijl werd besloten de Gasthuiskerk in te richten als slaapzaal, maar dat was niet voldoende. Ook de Latijnse School moest in gereedheid worden gebracht en voor de zekerheid werd er een boerenschuur gevorderd. Bij boeren in de omgeving werd genoeg stro besteld om de vloeren van alle slaapplaatsen te kunnen bedekken. Maar of die boeren zoveel stro wel beschikbaar hadden, was lang niet zeker. Aan de Doesburgse bakkers werd gevraagd om voor 500 man extra brood te bakken. Maar verschillende bakkers hadden al laten weten dat dit in die korte tijd vrijwel onmogelijk was …

En dan het geld …

Het bestuur van Graafschap Zutphen had weliswaar laten weten dat alle kosten zouden worden vergoed, maar de ervaring had geleerd dat een dergelijke toezegging lang niet altijd werd nagekomen. Nee, het Doesburgse stadsbestuur was er allerminst gerust op dat alles goed zou komen. Maar … zij hadden hun best gedaan. Meer kon niet van hen worden verwacht.

Voor de militairen die Doesburg naderden was deze zondag het voorlopige einde van een lange mars. Weken geleden waren ze gestart in Maastricht. Daar waren ze, na een verloren veldslag tegen de Fransen, in allerijl naar toe getrokken, samen met de Oostenrijkers, de Engelsen en de troepen in Nederlandse dienst. Die slag tegen de Fransen, op 11 oktober 1746, bij het dorpje Rocourt, hadden ze verloren.

Lees verder: De slag bij Rocourt

Lees verder: Op mars naar de winterkwartieren

Slapen met een hongerige maag

Eenmaal in Doesburg aangekomen werden de soldaten naar hun slaapplaatsen verwezen; een daarvan was de Gasthuiskerk. Daar volgde de ontgoocheling. Er was geen verwarming, en het was er ijzig koud; en dat terwijl de mannen toch al zo verkleumd waren. En de laag stro op de grond vonden de heren veel te dun. Hier zouden ze nooit comfortabel op kunnen slapen.

Ook de hoeveelheid brood die ze aangeboden kregen, was veel te karig. Ze hadden verwacht bij mensen thuis te mogen verblijven, bij een warm haardvuur. En ze hadden gehoopt op een heerlijke warme maaltijd. In plaats daarvan moesten ze met een hongerige maag gaan slapen. De meesten waren echter te moe om stennis te schoppen en gingen toch maar slapen, hoe slecht ze zich ook voelden.

Vernielingen in de Gasthuiskerk 

De volgende ochtend, het was inmiddels 12 december, waren de meesten al weer vroeg wakker. En het duurde niet lang of de mannen raakten zo opgewonden van de ongastvrije ontvangst in Doesburg, dat ze uit pure frustratie het kerkmeubilair begonnen te slopen. In de brief die het stadsbestuur over het incident naar Gedeputeerde Staten van Zutphen zou sturen stond het als volgt:

Ze hebben ook daadwerkelijke vernielingen aangebracht in de kerk. Van de preekstoel hebben ze de panelen en de lijsten afgebroken en in stukken geslagen. Ook de rest van de preekstoel is vernield en in stukken geslagen. Verder vernield: de bank van de Diacenen, de hele lessenaar en al wat daar verder nog aanwezig was.

Bedreigingen

Minstens zo erg vond men de bedreigingen naar de mensen die op het lawaai in de kerk waren afgekomen. Zo zou er zijn gezegd dat ze wel wisten waar de burgemeester woonde. Die zouden ze wel eens uit zijn bed halen en zelf op het stro leggen; dan moest hij maar voelen hoe dat lag. Daarbij werd dan vervaarlijk met de sabel gezwaaid. Ook dreigden sommigen de kerk in de brand te steken; anderen wilden zelfs de hele stad in de fik steken.

Vernielingen in de stad

Toen er in de kerk weinig meer te vernielen was, trok een groepje soldaten naar buiten, waar ze verder gingen met het aanrichten van vernielingen. In het stadsarchief vinden we een verklaring van de commandant van het Doesburgse garnizoen, luitenant Roode van Heeckeren. Letterlijk luidt deze als volgt:

De lieutenant Roode van Heeckeren heeft ook gezien dat de soldaten met de bajonet stenen hebben uit de straet gestoken (om die naar het huis van de burgemeester te gooien). Nae beneden gaende om sulks aan de officieren bekent te maken egter onder komende waer het regiment in mars.

Deze officier was dus niet zo moedig als zijn collega zo’n 70 jaar later, de commandant Vaynes van Brakell, die in 1813 met gevaar voor eigen leven tussen de Franse oproerkraaiers ging staan om ze tot bedaren te brengen.

Meer aandacht ging er echter uit naar de dochters van de commandant, die het hele tafereel uitvoeriger hadden gadegeslagen:

Van Maria Theodora Gerharda en Anna Catherijna De Roode van Heeckeren hoe dat zij op den 12 dec dezes jaers 1746 des morgens op een bovencaemer aen de straat comende voor de glasen hebben gestaan alwaer een regiment Hannoversche infanterie van de collonel Horn geschaert stonden van welk gemelde regiment eenige soldaten keien met de bajonet uijt de straet graafden en doen het regiment afmarcheerde hebben eenige soldaten met stenen tegen het huijs (van burgemeester Curtius) die langs de muer en voorbij de glazen afschoten. De knegt Harmen Crijmers verklaert ook gesien te hebben dat een sergeant een of meer steenen met de hellebaert uit de gront of straet heeft gestoken en dat de soldaten met stenen naar boven tegen het huijs (van burgemeester Curtius) hebben gesmeten. Actum Doesborg den 14 xbr 1746 

Volgens de Doesburgse glazenier Jan Rewinkel zijn er bij de burgemeester maar liefst 27 ruiten ingegooid. Ook elders in de stad zijn wel ruiten gesneuveld.

*Zie ook de declaraties van burgers die probeerden hun schade vergoed te krijgen elders in dit verhaal.

De hellebaard

Bijzonder in deze verklaring is dat er in het bewuste legeronderdeel nog hellebaarden werden gebruikt. Een hellebaard was een typisch middeleeuws wapen en een directe opvolger van de strijdbijl. Het was een houw- en stootwapen dat in de 17e eeuw nog wel regelmatig in gevechten is gebruikt. Voor de 18e eeuw is het wapen echter wel erg achterhaald. Dit geeft mogelijk een indicatie over de bewapening van de Hannoverse troepen.

Voorbeeld van een hellebaard. In de 18e eeuw nauwelijks meer gebruikt maar blijkbaar nog wel door de troepen uit Hannover die in dienst waren van de Engelse koning.

Problemen bij het veer

Toen de soldaten de stad in de loop van de ochtend eindelijk verlieten, zal er door menig Doesburger een zucht van verlichting zijn geslaakt. Toch was de ellende nog niet helemaal achter de rug. Omdat de wegen dichtbij de IJssel in de winter niet begaanbaar trokken de troepen naar Zutphen via de rand van de Veluwe. En daarvoor moesten ze in Doesburg eerst met het veer de IJssel oversteken. De arme veerbaas Willem Weijers heeft dat geweten. Dit is een een verklaring over de gebeurtenissen die ochtend bij het veer. (een deel van de tekst is onleesbaar)

Den 13 Dec 1746 Heeft den stadbode Jan Besseling gerapporteert. Dat hij op (verzoek?) van de Heeren van de Magistraat der stad Doesborgh op ……….. stonden nae de Willem Wijers Tol om zig te informeeren  hoedanig zig die soldaten bij de bagagie van het Batallion Van Horn welke gisteren den 12 uit dese stad gekomen en aldaer (den Tol = doorgestreept) gepasseert zijn zig omtrent het betalen van (den Tol doorgestreept) veere overzet gedragen hebben. En dat van …… pagter van dat tweede veer of Tol Willem Wijers aan hem verklaert heeft. Dat hij van die betalinge  van het verschuldigde veergelt ge………. Hebbende die soldaten hem te betalen verweigert en hem met den sabel de kop af te willen houwen gedreigt, voorts, tegen zijn wil en dank sonder betalinge doorgevaren te zijn. 

Op zoek naar genoegdoening

Toen het Hannoverse regiment eindelijk uit Doesburg was vertrokken, was de verontwaardiging bij het stadsbestuur groot. Het overheersende sentiment was dat de heren van de magistraat het toch vooral zo goed bedoeld hadden. Hoewel de opdracht uit Zutphen om dit regiment één nacht onderdak te verlenen laat was binnengekomen, hadden ze er toch nog alles aan gedaan om de zaak goed te regelen. Dat het zo uit de hand was gelopen, lag vooral aan de Hannoverse militairen die toch wel een tikkeltje meer dankbaarheid hadden mogen tonen.

Nee, dit konden ze beslist niet op zich laten zitten. Er moest een brief op poten worden geschreven waarin ze Gedeputeerde Staten wel eens even de waarheid zouden vertellen. En de schade moést worden vergoed, evenals trouwens de kosten die ze voor de overnachting zélf hadden uitgegeven. Er werd alvast een opzet voor een brief gemaakt, die vervolgens door het stadsbestuur werd bediscussieerd. Daar waar de discussies hoog opliepen, werd in het concept veel geschrapt en weer bijgeschreven, totdat het hier en daar bijna onleesbaar werd.

De brief naar Zutphen

Het is frappant dat de klad-versie van deze brief nog in het Doesburgse archief aanwezig is. De definitieve versie werd in het net overgeschreven en naar Zutphen gestuurd. De brief werd in eerste instantie stevig aangezet. Zo stond er bijvoorbeeld in dat ook de ruiten van de Latijnse school waren ingegooid. Later moest dit weer worden doorgestreept. De mannen hadden zich daar bij nader inzien toch naar behoren gedragen.

Daar waar in de brief alleen feiten worden beschreven, bijvoorbeeld over de aankomst van het bataljon, is weinig of niets aan het concept veranderd. Waar echter sprake is van belediging, bedreiging of vernieling, is zoveel gekrast en verbeterd, dat het bijna onleesbaar is geworden. Je kunt je de heftige discussies en de verontwaardiging in het stadhuis nog zo voorstellen.

Het antwoord uit Zutphen

Al enkele dagen later kwam er een brief terug uit Zutphen. Na alle beleefdheden en plichtplegingen die aan het begin van een 18e eeuwse brief nu eenmaal gebruikelijk waren, komen Gedeputeerde Staten al gauw tot de kern van de zaak. Van de eisen van de Doesburgse bestuurders wordt weinig heel gelaten. Als eerste had men na de ontvangst van de brief in Zutphen de bevelvoerder van de troepen, kolonel Horn, op het matje geroepen. Deze had verklaard dat hij in zijn regiment de discipline altijd hoog heeft gehouden. Mochten er enkele manschappen toch over de schreef zijn gegaan, dan wilde hij graag de namen van deze mannen horen. Hij zou ze dan streng bestraffen. Bovendien moesten ze voor elk ingegooide ruit een daalder betalen.

De klachten over de gebeurtenissen bij het veer kon de kolonel nauwelijks geloven. Hij had nog zo zijn best gedaan om het overzetten over de IJssel ordelijk te laten verlopen. Hij had nota bene speciaal een adjudant naar het veer gestuurd om toezicht te houden en om de rekening in ontvangst te nemen. Die zou dan later door de koninklijke commissaris worden betaald. Nee, wat de achtbare heren uit Doesburg in hun brief hadden geschreven, leek hem, kolonel Horn, schromelijk overdreven.

En moesten de geachte Doesburgse collega’s toch ook niet een beetje begrip hebben voor de mannen omdat “…  de zoldaten een zware mars hebbende gedaen en vrij kout en nat zijnde in een kerk zonder eenig vuur zijn gelegt en van een geringe quantiteijt stroo bij zijn voor 300 man circum circa op 200 bossen begroot wordende voorshien …” 

Verder was het Graafschapsbestuur er lang niet zeker van of een bevelvoerend kolonel verplicht is om verantwoording te dragen voor schade die zijn soldaten hebben aangericht, en of hij er wel toe gehouden was om die schade te vergoeden. Dan konden de heren zich toch beter richten tot de koning van Groot-Brittannië, die immers ook zorg droeg voor de uitbetaling van de soldij.

Afschuifoperatie

Al met al was de hele brief één grote afschuifoperatie en het lijkt er op dat de betaling voor de schade en voor de overnachting zelf anno 2021 (na 275 jaar) nog steeds binnen moet komen, ondanks de mooie slotzin van de brief:

“Wij bevelen Ued. En agtbare in Gods heijlige protectie, geschreven te Zutphen den 16 December 1746”

Het Zutphens archief

Het zou interessant zijn te proberen te achterhalen wat er verder met dit bataljon is gebeurd. Er is echter bij een kort onderzoekje in het archief in Zutphen geen spoor van deze groep militairen teruggevonden. Wel blijkt dat in de jaren 1746 en 1747 meerdere Hannoverse eenheden door Gelderland zijn gemarcheerd. Zo schrijven Gedeputeerde Staten van Gelre op 5 december 1746 aan de magistraat van de stad Zutphen om toestemming om “4 esquadrons Hanoversche dragonders” die vanuit Arnhem over de Veluwe langs Rheden en Brummen komen, ook door de stad Zutphen te mogen laten marcheren. De stad had dat namelijk eerder verboden. Deze esquadrons hadden de stad Kampen als eindbestemming. Dit Zutphensche verbod doet vermoeden dat de Hannoverse militairen in die tijd niet zo’n goede naam hadden als het ging om de discipline. Blijkbaar waren er in die stad al eerder problemen geweest met militairen uit het keurvorstendom Hannover …

Zo blijft de de 12e december van het jaar 1746 voor altijd een bijzonder plekje innemen in de Canon van Doesburg.

Colofon

Research en tekst: Bert Stulp
Transcripties: Maaike Baumler en Margreet Frankot

Foto Bert Stulp: Cees Duindam

Bronnen:
Wikimedia Commons
R.Dane – Uit het Stadsarchief geput

Eindredactie: Theo Maas
Vormgeving: Han Jansen

Doesburg, december 2021

Meer weten?

De slag bij Rocourt

De slag bij Rocourt vond plaats tijdens de Oostenrijkse successieoorlog. Oostenrijk was in de 18e eeuw een machtig Europees Rijk waar ook de zuidelijke Nederlanden (nu België) deel van uitmaakten. De Habsburgse keizer Karel VI van Oostenrijk was overleden en werd opgevolgd door zijn dochter Maria Theresia.

Lees verder >

Een vrouw aan het bewind was voor de vijanden van Oostenrijk, Frankrijk, Rusland en Pruisen, een teken van zwakte. Zij zagen nu hun kans schoon om delen van het grote Oostenrijkse Rijk in te lijven.

George II, keurvorst van Braunschweig-Lüneburg en koning van Groot-Brittannië

Frankrijk had zijn oog laten vallen op de Zuidelijke Nederlanden. Dat de Fransen zouden stoppen bij de grens tussen de zuidelijke en de noordelijke Nederlanden (de Republiek) geloofde niemand. Voor de Republiek wad dat één van de redenen om zich, na veel aarzelingen, toch maar in de oorlog te mengen. De Engelsen zagen een steeds machtiger wordend Frankrijk als bedreiging, niet alleen in Europa, maar ook op zee en in de Engelse koloniën. Duitsland bestond nog niet als natiestaat maar was een lappendeken van steden en staten, met vorstendommen als Hannover (dat globaal overkwam met het huidige Nedersaksen).

Twee landen, één koningshuis

Omdat de koningshuizen van Engeland en Hannover dezelfde waren vormden de twee landen tussen 1714 en 1837 een zogenaamde personele unie. Dat betekende dat de keurvorst van Braunschweig-Lüneburg (de koning van Hannover) ook koning was van Groot-Brittannië. Engeland kon Hannover dan ook gemakkelijk meetrekken in de oorlog met Frankrijk. Hannover leverde zo’n 10.000 militairen die in dienst kwamen te staan van de Engelse koning (en Hannoverse keurvorst) George II. 

Op mars naar de winterkwartieren

De slag bij Rocourt moest de Fransen beletten de noordelijke Nederlanden binnen te vallen. Op het slagveld stonden 120.000 Fransen tegenover 90.000 geallieerden (Oostenrijkers, Engelsen en Hannoveranen).

Lees verder >

De Fransen, onder leiding van maarschalk Maurits van Saksen, versloegen de geallieerden, die zich terugtrokken naar Maastricht. De Fransen bezetten Luik en trokken zich grotendeels terug naar Bretagne, waar een volgende klus wachtte.

De geallieerde legerleiding wilde de winter gebruiken om op krachten te komen. Omdat zo’n grote legermacht niet in zijn geheel rond Maastricht kon worden ingekwartierd, moest een deel elders worden ondergebracht.

In de Amsterdamsche Courant van 6 december 1746 vinden we dit bericht: de Hannoverse regimenten zouden in het oosten van het huidige Gelderland of in de aangrenzende Kleefse (Duitse) gebieden overwinteren. Omdat het om enkele duizenden militairen ging, moeten we het gebied waar deze soldaten ondergebracht zouden moeten worden, waarschijnlijk ruim nemen.

Klik/tik voor groot

Vertrek uit “Het Spijk”

Dit is mogelijk ook de reden zijn geweest dat een bataljon Hannoverse troepen zijn winterkwartier helemaal in Zutphen toegewezen had gekregen. Dit bataljon moest als laatste pleisterplaats in Doesburg overnachten. Uit de archieven blijkt dat de militairen in de ochtend van 11 december vertrokken uit ‘Het Spijk’, het gebied waar later dat dorpje Spijk zou ontstaan. Daar zullen de Hannoversen de 9e of 10e december de Rijn zijn overgestoken en in boerenschuren hebben overnacht. De oorspronkelijke planning van de 6e december, die ook in het krantenbericht staat, zullen ze waarschijnlijk niet hebben gehaald.

Het gebied van waaruit het Hannoversche regiment in 1746 vertrok richting Doesburg (in de rode rode ellips). Het kaartje is van rond 1700. De groene lijn is de waarschijnlijke  route die de soldaten moesten lopen. Klik/tik voor groot.
Fragment uit de brief

Een fragment van de klad-versie van de brief die naar Gedeputeerde Staten van het Graafschap Zutphen moest worden gestuurd.

Klik/tik voor groot

Uit de doorhalingen en verbeteringen is te herleiden dat de emoties bij de leden van de magistraat hoog opliepen. Wat we kunnen ontcijferen is het volgende:

doorhaling “ …….kolf van de snaphaen (Een snaphaen is een soort geweer) boven het hoofd en de den anderen met de sabel de kop in te slaen gedreigt…. ander uit de informatien daer…..” doorhaling doorhaling doorhaling

Het ging hier om de gebeurtenissen bij het veer over de IJssel. Bron: archief Doesburg en de Liemers.

Klik/tik voor groot
27 ruiten ingegooid
Het huis waar hoogstwaarschijnlijk burgemeester (Antonij?) Curtius woonde ten tijde van de Hannoverse rellen. Volgens glazenmaker Jan Rewinkel zijn aan dit pand aan de voorkant 27 ruiten ingegooid (“in smitten”) en aan de zijkant nog eens 7. De voorgevel zal er toen veel anders hebben uitgezien. Op de pentekening van de 18e eeuwse Gasthuiskerk elders in dit verhaal zien we nog een stukje van dit pand. Daarbij valt de rijk versierde ingangspartij op.
Een declaratie die voor zichzelf spreekt
Dit waren duidelijk de militairen hoger in rang. De gewone militairen gingen te voet. Opvallend is de manier waarop de geldbedragen worden genoteerd. Dit doet denken aan het Engelse systeem. In de 18e eeuw waren er 3 soorten munten: (carolus)guldens, stuivers en penningen. Een gulden bestond uit 20 stuivers. Een stuiver bestond uit 16 penningen. Ons huidige geldsysteem is ontstaan in de Franse tijd. Klik/tik voor groot.
De offerte van Jan Rewinkel
De “Offerte” van glazenmaker Jan Rewinkel voor het herstel van de ruiten van het huis van burgemeester Curtius in de Gasthuisstraat. In de offerte staat dat er ook in de Heerenstraat 7 ruiten zijn gesneuveld. Daaruit kunnen we afleiden dat de burgemeester woonde in het huidige pand Gasthuisstraat 20,  waar nu de firma Sonneveld is gehuisvest.
Klik/tik voor groot.
Stuk geslagen ruiten
“van hendrick gieseling te stucken geslaagen 17 ruitten.”
Iemand anders had daaronder geschreven “ten (naast?) het huijs van Burgem. Curtius 27 Ruitten”.

Klik/tik voor groot.
Bode Jan Besselingh deed zijn werk
Er moest natuurlijk wel een bewijsje worden geschreven dat de Doesburgse bode Jan Besselingh de brief van het stadsbestuur daadwerkelijk aan de vertegenwoordiger van het Graafschap Zutphen had afgeleverd.
Klik/tik voor groot.