De zware tocht over de Pyreneeën naar Gibraltar

Op 25 november 1943 moeten Ubbink en Dourlein het vrije Zwitserland weer verlaten. Van Tricht, de Nederlandse militaire attaché heeft de mannen in contact gebracht met een organisatie die ze via Genève veilig de grens overzet. Ook heeft hij treinkaartjes geregeld om zo dicht mogelijk bij de Pyreneeën te komen. Daar ligt de volgende uitdaging. Hoe komen de mannen het hooggebergte over om veilig in Spanje aan te komen? De Duitsers zullen er zeker niet aan meewerken.

Via het inmiddels opgebouwde netwerk wordt contact gezocht met de Maquis, de organisatie van Franse verzetsgroepen die voornamelijk op het platteland actief zijn en het de vijand daar zo moeilijk mogelijk maken. Deze groep houdt zich ook bezig met het naar Spanje brengen van vluchtelingen die ernstig gevaar lopen. Ubbink en Dourlein sluiten zich hierbij aan. De groep bestaat in totaal uit 13 Nederlanders en twee Fransen. Er zijn twee begeleiders bij van de Maquis. Deze worden geacht de Pyreneeën te kennen als hun broekzak.

Draai om de oren

Kou, natheid, honger en uitputting, niets blijft hun bespaard. De zware tocht duurt vijf dagen en vijf nachten. Op een gegeven moment is Ben zo uitgeput dat hij denkt het niet meer te overleven. Hij gaat zitten en maant de overige deelnemers om maar door te lopen. Eén van de gidsen ziet dit gebeuren, gaat naar hem toe, geeft hem een slok cognac en een draai om zijn oren. Vervolgens wijst hij naar een bergtop in de verte en zegt dat daar Spanje ligt. Dit geeft Ben zoveel moed dat hij toch maar weer verder sjokt.

Hier sjokt Ben Ubbink door de sneeuw van de Pyreneeën. Niet als 22-jarige maar op de leeftijd van 58 jaar. (Tv-reportage uit 1979).

Omdat Ubbink verder weinig details over deze tocht geeft, gaan we nu het dagboek van Piet Dourlein volgen. In de middag van 27 november begint de tocht over de Pyreneeën. Ze hebben al 48 uur niet geslapen en ook niet fatsoenlijk gegeten. Eerst zijn de wegen nog goed begaanbaar maar al snel moet er worden geklommen. De kou en de uitputting beginnen te knagen aan het moreel van de mannen.

Pure luxe!

Daarna begint het hard te regenen. De berghut die de gidsen hebben uitgezocht om overdag te gaan slapen, blijkt bezet door de Duitsers. Daarom moet het hele gezelschap weer vier uur teruglopen, naar een andere hut, waar ze doornat en tot op het bot verkleumd tegen 7 uur ‘s ochtends aankomen. Ook de volgende dagen moet flink worden doorgelopen om de volgende hut te halen. Eén keer, op 29 november, kan de groep in een schaapstal in het hooi slapen. Pure luxe! De nacht van 30 november is het zwaarst. De hellingen zijn zeer steil en er moeten grote omwegen worden gemaakt omdat er overal Duitse patrouilles zijn. Tot overmaat van ramp raken de gidsen in het donker de weg kwijt, zodat de hele groep de rest van de nacht tegen een steile bergwand staat aangedrukt, wachtend op het daglicht.

Het moet die ochtend zijn geweest dat Ubbink bijna de moed verliest en de groep verzoekt hem maar achter te laten. Dankzij die bergtop in de verte op Spaans grondgebied, vindt hij de moed om verder te gaan. Dat klopt met de beschrijving van Dourlein dat na nog een zware tocht van ruim vier uren de Spaanse grens wordt gepasseerd. Vlak over de grens ligt het dorpje Canejan, waar de groep door Spaanse politieagenten wordt gefouilleerd en vervolgens geïnterneerd. (Dourlein heeft het over Calejan, dat kon hij blijkbaar beter onthouden). Aanstekers, messen en geld worden ingepikt en zien ze niet meer terug. Ze laten het maar zo.

Maar de problemen zijn nog niet voorbij. De tocht gaat met horten en stoten verder. Vaak moet er worden gelopen terwijl de voeten van de mannen al voor een groot deel zijn stukgelopen. Er wordt regelmatig contact gezocht met de Nederlandse ambassade, maar daar reageren ze (nog) erg afhoudend. Ook de Spaanse autoriteiten werken niet echt mee. Zo is het lastig om de benodigde papieren te krijgen. Uit alles blijkt dat ze hun verhaal niet geloven. Op 10 januari 1944 zitten ze nog steeds in Noord-Spanje, in de stad Lerida. Hier maakt Ubbink op verzoek van de Nederlandse ambassade op 19 december een uitgebreid rapport in het Engels over alles wat hij in Engeland en daarna heeft meegemaakt. Dit rapport wordt naar de ambassade in Madrid gestuurd. Het is nog te raadplegen in het archief van het NIOD in Amsterdam.

Per boot naar Gibraltar

Blijkbaar geeft de inhoud van het rapport zoveel vertrouwen dat ze worden uitgenodigd om naar de Spaanse hoofdstad te komen. Als ze dan ook nog toestemming krijgen van de Spaanse politie, vertrekken ze op 11 januari. In Madrid worden ze door de ambassade opgevangen. Geheel onverwacht volgt daarna een uitnodiging van de Engelse ambassade. Daar hebben ze blijkbaar het rapport ook gelezen want de mannen worden met alle egards onthaald. Ze worden met een auto van het Corps Diplomatique als een soort van hoogwaardigheidsbekleders overgebracht naar Sevilla in Zuid-Spanje. Het laatste stuk van de reis naar Gibraltar gaat per boot. Voor het vertrek wordt het schip nog geheel door de Spaanse politie doorzocht maar de mannen worden niet gevonden. Ze hebben zich verstopt in een stoomketel die buiten gebruik is. Pikzwart van het roet komen ze er na de controle weer uit.

Hier stoppen de aantekeningen van Dourlein. We weten nu weer van Ubbink dat ze veilig in Gibraltar zijn aangekomen en dat ze daar met een lijnvliegtuig vertrekken naar Engeland.