De stoom-oliefabriek van Van Hengel en Lensvelt

Wie in de Doesburgse Ooipoortstraat door de onderdoorgang wandelt in de richting van de Kloostertuin, komt uit op het voorste deel van parkeerplaats Kloostertuin. Rechts ligt de nieuwbouw van de Coöp supermarkt. Het beeld is niet veel anders dan op de rest van de Kloostertuin: voetgangers, fietsers en geparkeerde auto’s.

Aan het einde van de 19eeuw, rond 1885, ziet het er hier heel anders uit. Op dit deel van de parkeerplaats is dan een echt fabrieksterrein gevestigd. Zo staat er onder andere een 40 meter lang fabrieksgebouw dat grotendeels uit hout is opgetrokken. Aan dat gebouw is een stoommachine verbonden die de hele dag staat te stampen, te puffen en te sissen. Enorme rookwolken verspreiden zich door de hele Kloostertuin en het terrein gonst van de bedrijvigheid.

Op deze gravure uit de 19e eeuw met zicht op de Ooipoortwal zien we de rokende schoorsteen van de stoom-oliefabriek van Van Hengel en Lensvelt. Of was het misschien nog die van Hendrik Breukink of van Van Marle? Let ook op het prieeltje in de Kloostertuin, dat al vermeld staat op de kadastrale kaart van 1832. Bron: omslag het van boek Oude Ambachten en Bedrijven achter Rijn en IJssel (J.W. van Petersen en W. Zondervan).

Een paardentram voert kolen en grondstoffen aan voor lijnoliefabricage. Vaten met lijnolie en grote hoeveelheden lijnkoeken worden met diezelfde paardentram afgevoerd naar de haven en naar het GTW-overslagpunt, om van daaruit verder te worden getransporteerd.

De stoom-oliefabriek van Van Hengel en Lensvelt geeft werk aan tientallen mensen werk en behoort in die tijd tot de de grootste van Gelderland. Toch is deze fabriek ooit begonnen als één van de vele kleine oliemolens die aan het begin van de 19e eeuw overal in Nederland werden gesticht.

Van oliemolen via stoom-oliefabriek naar multinational

Voordat Gerrit Hendrik van Hengel in 1867 de oliefabriek achter Ooipoortstraat 42 – 44 overneemt, heeft deze al een hele geschiedenis achter de rug. Al rond 1705 bevindt zich achter dit pand een molen, dan nog uitsluitend een grutmolen. In 1790 wordt die grutmolen uitgebreid met een oliemolen. Als Harmen Otto Breukink in 1822 het bedrijf overneemt, leidt de molen een kwijnend bestaan. Hij maakt deel uit van een grutterij (een kruidenierswinkel) annex groothandel. Breukink noemt zichzelf dan ook afwisselend winkelier, koopman en olieslager.

Een broer van deze Harmen Otto, Albertus Gerhardus Breukink, heeft ook een oliemolen, aan de Contre Escarpe, op de plek waar nu hotel Doesburg staat. Deze molen brandt in 1878 af. Beide molens werden aangedreven door één of meerdere paarden en waren dus rosmolens. 

Overlast

Albertus Gerardus sterft in 1845 op 51-jarige leeftijd. Zijn jonge echtgenote Maria Breukink van Zadelhoff, dan 40 jaar oud, neemt het bedrijf over. De zaak loopt blijkbaar goed want in 1851 vraagt ze aan Gedeputeerde Staten vergunning om haar zaak te mogen uitbreiden met een tweede stel molenstenen. Dan horen we voor het eerst dat het bedrijf nogal wat overlast bezorgd in de buurt. Vooral het feit dat het werk ook ‘s nachts en op feestdagen gewoon doorgaat, zet bij de omwonenden veel kwaad bloed. 

Als buurtgenoten bij de weduwe Breukink klagen over de herrie, bijvoorbeeld bij ziekte van een huisgenoot, krijgen ze geen gehoor. Dat brengt Gedeputeerde Staten ertoe om wel toestemming te geven voor een tweede stel molenstenen maar alleen op voorwaarde dat er niet in de nachtelijke uren wordt geproduceerd. De werktijden worden als volgt bepaald: van 5 uur in de ochtend tot 10 uur in de avond in de zomer, en van 6 uur in de ochtend tot 10 uur in de avond in de winter.

De eerste stoommachine in Doesburg

In 1853 neemt de zoon van Maria, Hendrik Breukink, de zaak over. Hendrik is dan 21 jaar en pas getrouwd. Maar Hendrik is meer techneut dan ondernemer. Hij heeft veel belangstelling voor de stoommachine en vindt dat het tijd wordt om paardenkracht in te ruilen voor stoomkracht. In 1855 vraagt hij vergunning aan voor het in gebruik nemen van een stoommachine, de eerste in Doesburg.

> Bijlage | Hendrik Breukink, de technische man van het bedrijf

Het gemeentebestuur weet niet goed hoe ze met de aanvraag moet om gaan en stuurt de gemeentearchitect op onderzoek naar Deventer, waar al met stoom wordt gewerkt. Deze komt terug met de conclusie dat er in Deventer nauwelijks klachten zijn over overlast door de nieuwe machines. De vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat er een nieuw bedrijfsgebouw moet komen, op grotere afstand van de Ooipoortstraat, dus dieper de Kloostertuin in. Omdat er in de Kloostertuin nauwelijks mensen wonen, zal de overlast van rook en lawaai dan minder zijn, is de redenering. Het verbod op het werken tijdens nachtelijke uren blijft echter gehandhaafd. De oliemolen wordt een stoom-oliefabriek.

Doesburg is trots

Toevallig doet in datzelfde jaar de heer van Barneveld een aanvraag om in Doesburg een gasfabriek te mogen starten. Beide gebeurtenissen vervullen de gemeente Doesburg met trots. In het jaarverslag van 1856 staat het zo: ‘Beide deze inrichtingen mogen strekken tot bewijs dat deze gemeente niet ten achteren blijft bij andere steden, in datgeene, wat de vooruitgang des tijds medebrengt’ 

> Familiekroniek van de eerste gasfabrikant van Doesburg

Hendrik lijkt niet voor zelfstandig ondernemer in de wieg gelegd; al in 1862 zet hij de zaak weer te koop. Het bedrijf wordt overgenomen door Hendrik Willem Van Marle, de zoon van een postkantoorhouder uit Apeldoorn en oud Oost-Indisch ambtenaar. Opvallend genoeg blijft Breukink zich wel olieslager noemen. Hij blijft ook in het pand aan de Ooipoortstraat wonen en wordt dus werknemer van Van Marle, die zichzelf liever fabrikant noemt. Hendrik zal ongetwijfeld de zorg en het onderhoud van de stoommachine voor zijn rekening hebben genomen.

De onderdoorgang

Nu de molen een stoomfabriek is geworden en ver in de tuin van het pand aan de Ooipoortstraat is komen te staan, wordt de toevoer van steenkool en vlaszaad en de afvoer van producten een probleem. In de Kloostertuin zijn dan nog geen wegen. Al het transport vindt plaats via de Ooipoortstraat. Daarom wordt er in het pand Ooipoortstraat 44 een onderdoorgang gemaakt. Volgeladen wagens kunnen nu bij de fabriek komen. De onderdoorgang is er nog steeds en wordt door voetgangers gebruikt om van de Kloostertuin in het centrum te komen.

Hoewel dat al eerder is geweigerd, dient ook Van Marle bij Gedeputeerde Staten van Gelderland een vergunning in om `s nachts te mogen werken. Een fabriek die draait op stoomkracht is nu eenmaal het meest rendabel als hij dag en nacht kan doordraaien. Helaas voor hem wordt de vergunning opnieuw geweigerd. 

Pijpleiding

Twee jaar later, in 1866, vraagt en krijgt hij wel toestemming om een pijpleiding aan te leggen, Die loopt van het bedrijfsgebouw, onder het voetpad tussen de tuinen door, en dwars door de stadswal naar de Kempermansgracht. Een stoommachine en een oliefabriek gebruiken veel water en via de pijpleiding kan dat water vanuit die gracht naar het bedrijf worden geleid. Eerder had Hendrik Breukink al vergunning gekregen om via een leiding afvalwater op de gracht te mogen lozen. De wateraanvoer kwam toen echter nog uit een grondwaterput.

Van Hengel koopt de fabriek

In 1867 houdt ook Van Marle het voor gezien. Hij zet de fabriek opnieuw te koop. De nieuwe koper is ene Gerrit Hendrik van Hengel, afkomstig uit Rotterdam. Van Hengel neemt de fabriek over, inclusief werknemer Hendrik Breukink, die er in elk geval nog tot 1869 zit. Van Hengel meldt trots in de krant dat hij de nieuwe eigenaar is geworden van de stoom-olieslagerij van Van Marle. Van Marle wordt uitgever in Arnhem. 

Gerrit Hendrik van Hengel is de nieuwe eigenaar van de stoom-olieslagerij aan de Ooipoortstraat en dat wil hij weten ook.

Van Hengel zal bij de aankoop ongetwijfeld te horen hebben gekregen dat er ‘s nachts niet mocht worden gewerkt. Toch vraagt ook hij al direct na aankoop bij Gedeputeerde Staten een vergunning aan om in de nachtelijke uren te mogen produceren. Misschien denkt hij zijn verzoek beter te kunnen onderbouwen dan zijn voorgangers. Als Gedeputeerde Staten opnieuw afwijzend reageren gaat hij in beroep bij de Raad van State.

Hij motiveert zijn verzoek door te stellen dat het in den lande algemeen gebruikelijk is dat dit soort bedrijven in de nachtelijke uren doordraait. Hij komt immers uit Rotterdam en daar zal het inderdaad heel normaal zijn geweest.

Een forse tegenvaller

Nogal wat Doesburgers die dicht bij de fabriek wonen, hebben echter bezwaar aangetekend. Zij willen ‘s nachts niet worden lastiggevallen door de stampende geluiden van een stoommachine. Ook brandgevaar wordt als bezwaar genoemd. De fabriek is geheel uit hout opgetrokken en bij een draaiende stoommachine met open vuur kan er snel iets mis gaan. Ook de Raad van State wijst de vergunningaanvraag af; een forse tegenvaller!

Op zoek naar een vennoot

Van Hengel beseft dan dat hij een andere manier moet vinden om zijn fabriek rendabel te maken. Hij gaat op zoek naar een vennoot die verstand heeft van financiële zaken en die zelf kapitaal in het bedrijf kan steken. In 1873 vindt hij die een vennoot in de persoon van Johannes de Bruyn, eveneens uit Rotterdam. De samenwerking lijkt echter niet goed te zijn bevallen; al na één jaar wordt de samenwerking opgezegd. Van Hengel gaan dan op zoek naar een goede partner en vindt die uiteindelijk in 1878. De naam is Gerrit Wijnand Lensvelt uit Den Haag, 23 jaar en op dat moment nog zonder beroep. Nog een jaar later wordt de nieuwe naam van het bedrijf bij de notaris ingeschreven als ‘Van Hengel en Lensvelt’. Lensvelt verhuist van Den Haag naar Doesburg.

Doesburg krijgt een multinational

In 1889 gebeurt er iets wat voor de toekomst van de firma Van Hengel en Lensvelt van grote betekenis is geweest. Er wordt een nieuwe vennootschap opgericht waarbij in plaats van twee nu drie vennoten zijn betrokken en in plaats van één vestiging – in Doesburg, twee vestigingen in de vennootschap worden ingebracht. Die tweede vestiging is in het Duitse Ruhrort, aan een grote binnenhaven van de Rijn bij Duisburg. Tegenwoordig is Ruhrort een wijk van Duisburg. Doesburg is een echte multinational rijker.

Deze advertentie in de Arnhemsche Courant van 6 juli 1892 laat zien dat Doesburg in de 19e eeuw een multinationaal bedrijf had. Hoewel Doesburg op dat moment nog de hoofdvestiging is, wordt Ruhrort als eerste genoemd. Voor Doesburg is dit geen gunstig voorteken.

Naar de beurs

De drijvende kracht achter deze nieuwe vennootschap is ongetwijfeld Gerrit Wijnand Lensvelt geweest, want het is Anne Jan Adriaan Lensvelt, zijn broer, die als derde vennoot in het register wordt ingeschreven. Gerrit Wijnand vertrekt naar Ruhrort om daar de zaak te leiden. Hij doet dat tot 1917. Zijn broer wordt algemeen directeur, met als standplaats Amsterdam. De hoofdvestiging blijft vooralsnog in Doesburg. In 1896 wordt de vestiging in Ruhrort een afzonderlijk bedrijf met een losse band met de Doesburgse firma. Met de aangifte van aandelen wordt nieuw geld opgehaald. Ondanks de plaats van vestiging is het een volledig Nederlands bedrijf met de directiezetel in Amsterdam. Algemeen directeur wordt, u kent hem al, Gerrit Wijnand Lensvelt.

Amsterdam

Gerrit Wijnand blijft ook mededirecteur van de Doesburgse firma. Zijn broer Anne Jan is onderdirecteur. Van Hengel wordt één van de commissarissen en moet dus toezicht houden op zijn Doesburgse medevennoot. Opvallend is dat de stoomboot Jeannette Debora mee overgaat naar het nieuwe bedrijf. De zaken gaan blijkbaar goed, want al een jaar later vraagt Lensvelt vergunning aan om aan de Westerdoksdijk in Amsterdam, pal naast het Centraal Station, een loods te mogen bouwen. Die loods komt er en dient als opslag van de goederen die uit de oliefabriek van Ruhrort zijn geïmporteerd en in Nederland worden verkocht.

Gerrit Wijnand Lensvelt, de directeur van de Amsterdamse oliefabriek, waarvan de productieafdeling in Ruhrort was gevestigd. Hij was mededirecteur van de oliefabriek in Doesburg – foto familiearchief Martijn Houtman.

Dure steenkool

Toch kunnen we ons afvragen waarom de vestiging in Ruhrort zo succesvol was en het belang van de fabriek in Doesburg steeds kleiner werd. ‘De Tijd’ schrijft in een artikel uit 1897 het volgende:

Waar de krant op doelt als ze het heeft over gunstige conditiën, is waarschijnlijk de prijs van steenkool, in die tijd de grootste kostenpost voor bedrijven die van stoomkracht afhankelijk zijn. In het Ruhrgebied wordt in die tijd volop steenkool gedolven. Die werd aan lokale fabrieken aanzienlijk goedkoper verkocht dan aan Nederlandse bedrijven. De Nederlandse steenkoolwinning moet aan het einde van de 19e eeuw nog helemaal op gang komen.

N.V. Nederlandsche Oliefabriek

In 1916 volgt een volgende stap in de langzame teloorgang van de Doesburgse oliefabriek. De naam ‘Van Hengel en Lensvelt’ verdwijnt en wordt gewijzigd in ‘N.V. Nederlandsche Oliefabriek’, gevestigd in Amsterdam. De Doesburgse fabriek wordt een nevenvestiging.

Die naam was overigens niet erg origineel. Er bestond al een ‘Nederlandsche Oliefabriek’ (dus zonder N.V.) die gevestigd was in Delft. De afkorting van die naam, NOF, kennen oudere mensen nog wel van de reclameboekjes ‘Arretje NOF’. Het gaat hier om het latere Calvé, nu een onderdeel van Unilever.

Einde van het bedrijf

De firma in Amsterdam en de nevenvestiging in Doesburg hebben na de naamsverandering in 1916 nog vier jaar bestaan. In de pers verschijnt na dat jaartal weinig tot geen nieuws meer over het bedrijf zodat we mogen aannemen dat het niet erg succesvol meer was. Het opheffingsjaar is 1920. In het Algemeen Handelsblad verschijnt op 16 juni een grote advertentie voor de verkoop van de totale inventaris en het volledige onroerend goed, ook van de Amsterdamse en de Duitse vestigingen. Over de kopers is niets bekend. Enkele jaren later is het complex in Doesburg in gebruik als timmerwerkplaats en pakhuis. Het onroerend goed in Amsterdam heeft plaatsgemaakt voor de uitbreiding van het Centraal Station.

> Bijlage | Het einde van de firma Hengel en Lensvelt

Brand en afbraak

Nog één keer komt het Doesburgse bedrijf landelijk in het nieuws. Dat is in 1923, als het voormalige fabrieksgebouw, waarin onder andere een timmerwerkplaats is gevestigd, grotendeels afbrandt. Enkele maanden na die brand kunnen de Doesburgers resterende materialen en nieuwe materialen van de timmerwerkplaats voor een zacht prijsje op de kop tikken. Een jaar later overlijdt Gerrit Hendrik van Hengel.

Op deze vogelvluchtfoto uit het begin van de 20e eeuw zien we de fabrieksgebouwen van Van Hengel en Lensvelt binnen rode ellips. Zowel uit de locatie van de fabrieksgebouwen in de Kloostertuin als uit de beschrijving van de fabrieksgebouwen in de advertentie in Bijlage 3 | Het einde van de firma van Hengel en Lensvelt blijkt dat dit het bedrijf van Van Hengel en Lensvelt moet zijn geweest. Het is de enige bekende foto waarop het bedrijf staat afgebeeld.

Colofon

Dit verhaal kwam mede tot stand met de hulp van Martijn Houtman, waarvoor dank. Houtman is één van de nazaten van Gerrit Wijnand Lensvelt. Hij is zeer geïnteresseerd in de fabriek van Van Hengel en Lensvelt.

Research en tekst: Bert Stulp
Videoregistratie: Maarten Lindner, LiViPro Mediaproducties
Tekstbijdragen: Theo Maas

Bronnen:
J.W. van Petersen en W. Zondervan – Oude Ambachten en Bedrijven achter Rijn en IJssel
J.W. van Petersen – Met vlag en wimpel, een herinneringsalbum gewijd aan driekwart eeuw Doesburg en Oranje 1910 – 1985
Gemeentearchief Doesburg
Gemeentearchief Amsterdam
Nationaal archief Den Haag
Wikipedia / Wikimedia commons
Digitaal krantenarchief Delpher
Website Wiewaswie
Website topotijdreis, 200 jaar topografische kaarten.

Eindredactie: Theo Maas
Vormgeving: Han Jansen

Doesburg, september 2021

Meer weten?

De mensen achter het bedrijf

De twee personen die de stoom-oliefabriek van Van Hengel en Lensvelt in Doesburg vorm hebben gegeven, zijn Gerrit Wijnand Lensvelt en Gerrit Hendrik Van Hengel. Beide waren afkomstig uit het westen van Nederland, uit Den Haag en Rotterdam.

Lees verder >

Gerrit Wijnand Lensvelt
Lensvelt zorgde vooral voor de buitenlandse, lees de Duitse, expansie. Voor de Doesburgse samenleving heeft hij minder betekend. Lensvelt woonde in Doesburg van 1882 tot 1895 en werkte in dei periode volop mee aan de groei van het bedrijf. Zijn enige kind, Jeanette Debora, is in Doesburg geboren. In 1918 trekt hij zich terug in zijn villa Veldheim in Renkum. Vier jaar later verkoopt hij deze villa weer en verhuist hij met zijn vrouw naar Heelsum, waar hij 1927 overlijdt.

Gerrit Hendrik Van Hengel op oudere leeftijd. De foto is uit de Graafschapsbode bij zijn overlijden in 1924.

Van Hengel leefde bijna zijn hele leven in Doesburg gewoond en maakte zich er zeer verdienstelijk.  Zo was hij jarenlang gemeenteraadslid en wethouder. Hij was de drijvende kracht achter de oprichting van de Doesburgse ambachtschool die bijna honderd jaar heeft bestaan. Van Hengels zorgde andere voor voor het opzetten van het eerste plaatselijke telefoonnet en was daar jarenlang directeur van. Hij was een belangrijk lid van de schutterij, de voorloper van het huidige Muziekcorps der Voormalige Schutterij Doesburg.

Rondweg op de wallen
In de gemeenteraadsvergadering van 1911 stelde hij voor om de plantsoenen op de stadswallen om te vormen tot een rondweg rond de binnenstad. Dit zou de economische ontwikkeling van de stad een geweldige boost kunnen geven. Zijn voorstel werd met algemene stemmen min één (Van Hengel zelf) verworpen. Later is de weg rond de stad er toch gekomen. Het is maar één voorbeeld van de vooruitziende blik van deze ondernemer.

Als Van Hengel in 1924 overlijdt worden zijn verdiensten voor Doesburg in de pers uitvoerig geprezen. Het bedrijf waar hij oprichter en mededirecteur van was, was op dat moment al volledig vergeten gezien onderstaand artikeltje in de Arnhemsche Courant.

Arnhemsche Courant van 7 april 1924

De Van Hengel passage?
Gerrit Hendrik Van Hengel hoorde lange tijd tot de notabelen van de stad, maar naam is in Doesburg vrijwel vergeten. Het zou een mooie geste zijn om de nog bestaande onderdoorgang van de Ooipoortstraat naar de Kloostertuin de Van Hengel passage te noemen.

Bijlagen

Bij het hoofdverhaal zijn twee bijlagen:
> Hendrik Breukink, de technische man van het bedrijf
> Het einde van de firma van Hengel en Lensvelt

De Jeanette Debora

In 1891 kocht de directie een leegstaande voormalige cichoreifabriek aan de Contre-Escarpe. Door de opkomst van koffiebranderijen was de vraag naar chicorei sterk afgenomen en de meeste chicoreifabrieken hielden het voor gezien. Het gebouw kon door de nieuwe eigenaars mooi worden gebruikt voor opslag en als kantoorruimte.

Lees verder >

De grond tussen de fabriek en de IJssel werd gepacht van de gemeente en er kwam een vergunning om een loskade en een aanlegplaats te maken. Dit had te maken met de aanschaf van een eigen stoomboot die ging zorgen voor de aan- en afvoer van grondstoffen eindproducten. Het bedrijf werd zo minder afhankelijk van anderen. Men had bij het transport graag zelf alle touwtjes in handen. In dat licht moeten we waarschijnlijk ook het commissariaat van Van Hengel bij de de Gelderse tramlijn zien.

De stoomboot van de firma van Hengel en Lensvelt, de  Jeanette Debora. De boot is genoemd naar de dochter van Van Lensvelt – foto familiearchief    Martijn Houtman

Het schip deed waarschijnlijk tot het einde van de 19e eeuw dienst. De laatste registratie van het passeren van Duitse grens is op 29 januari 1898. De boot komt daarna nog één keer in het nieuws: tijdens de feestelijkheden bij de inhuldiging van koninging Wilhelmina op 31 augustus 1898 is Van Hengel één van de organisatoren. De Jeanette Debora ligt aan de kade afgemeerd en op de boot wordt een concert gegeven. Waarschijnlijk is het schip kort daarna verkocht. 

Aansluiting op het GTW-netwerk
Later krijgt het bedrijf een aansluiting op de GTW-tramlijn vanaf de Schipbrug naar de haven. De hoofdvestiging blijft echter in de Kloostertuin, met als adres Ooipoortstraat C85, nu de nummers 42 – 44 – 46.

De GTW-locomotief
Deze locomotief van de GTW, die is gebouwd in 1923, was genoemd naar Gerrit Hendrik Van Hengel. Het was een hommage aan de man die jaren commissaris en president-commissaris van de GTW is geweest. Hij heeft de naamgeving bij leven nog net mogen meemaken. Het bord is na de opheffing van de tramlijn en de sloop van de locomotief overgedragen aan museum de Roode Tooren in Doesburg.
De paardentram van Van Hengel

De bloeiperiode van Van Hengel en Lensvelt is in de jaren 80 en 90 van de 19e eeuw. De fabriek wordt in die periode steeds verdere uitgebreid. In 1883 vraagt Van Hengel aan het gemeentebestuur toestemming om zelf een paardentram te mogen aanleggen, van zijn fabriek naar de haven, dwars door de tuinen van de Kloostertuin. Hij koopt hij een flink stuk grond op en krijgt de vergunning onder voorwaarden. De tramlijn is ook daadwerkelijk aangelegd. Het zal wel hebben meegeholpen dat hij zelf gemeenteraadslid was en commissaris van de GTW. Het onderdoorgang in de Ooipoortstraat verliest bij de opening van de tramlijn zijn nut en is slechts dertig jaar in functie geweest.

Negatief nieuws en tegenslagen

Het bedrijf komt in de loop van de jaren ook wel eens negatief in het nieuws. Zo vindt in 1888 een spectaculaire inbraak plaats waarbij een brandkast met inhoud wordt ontvreemd. Dit wordt groot landelijk nieuws en is niet goed voor het image van het bedrijf. 

> Een spectaculaire brandkastkraak bij van Hengel en Lensvelt

Lees verder >

Enkele maanden later – de inbraak is dan nog niet opgelost – wordt opnieuw een poging tot inbraak gedaan. Opnieuw komen de dieven binnen maar het lukt ze nu niet om de brandkast open te breken.

In 1896 loopt de Jeanette Debora in de buurt van Gorssel op een krib in de IJssel. De roerketting breekt en het schip wordt ernstig beschadigd.

In 1903 breken vandalen een deur uit de loods en gooien die in de haven. De naam van de firma stond er duidelijk op. De degelijkheid van de bedrijfsgebouwen liet dus wel te wensen over. Ook dit incident is niet goed voor het image van het bedrijf. Uit de loods werd overigens niets gestolen.

In 1914 komt de firma negatief in het nieuws omdat er lijnkoeken zijn verkocht die vermengd zijn met pindadoppen en andere afvalproducten. De verslaggever vermeldt er wel bij dat de koeken zonder garantie en voor een veel lagere prijs zijn verkocht maar dat de tussenhandel de prijs weer op het oude niveau heeft gebracht. Hoewel het bedrijf dus niet zoveel te verwijten valt, wordt de goede naam opnieuw besmet.

Een paard en wagen komen in 1915 in de haven terecht omdat het beest schrikt en achteruitloopt. Gelukkig kan het paard worden gered. Een medewerker springt het dier achterna en snijdt het tuig los. Het paard zwemt vervolgens zelf naar de overkant van de haven en wordt daar op de wal getrokken.

Importbedrijf en groothandel Berlijn
Naast de vestiging in Ruhrort opent Gerrit Lensvelt ook nog een importbedrijf en groothandel in Berlijn,om daar de producten uit Ruhrort te kunnen afzetten. Het jaar van oprichting is niet bekend. Op de foto uit Berlijn wacht de koetsier totdat een vertegenwoordiger van dat bedrijf een klant heeft bevoorraad. De foto is rond 1915 genomen – foto familiearchief Martijn Houtman.
Nog meer tegenslagen

Ook Lensvelt ontkomt met zijn bedrijf niet aan tegenslag. In 1903 brandt de oliefabriek in Ruhrort tot de grond toe af. De schade werd geschat op 600.000 gulden. Er is nog een rechtzaak geweest omdat de verzekeraars weigerden te betalen. Volgens hen was het bedrijf veel te hoog getaxeerd waardoor ze te veel moesten uitkeren. Lensvelt won de zaak dankzij een goede advocaat. De verzekeraars moesten het totaal verzekerde bedrag toch uitbetalen.

In het Nederlands Landbouwblad van 1906 wordt melding gemaakt van knoeierij in de Ruhrorter fabriek. In de lijnkoeken wordt urinezuur aangetroffen. Dit deed men om het tekort aan eiwitten te verdoezelen, maar het zal de naam van de fabriek geen goed hebben gedaan.