Een spectaculaire brandkastkraak bij Van Hengel en Lensvelt

De hierna volgende gebeurtenissen spelen zich af aan het einde van de 19e eeuw, in de armste milieus van Doesburg. Het gaat om rauwe verhalen, waarin armoede, drankmisbruik, geweld en criminaliteit een allesoverheersende rol spelen. De hoofdpersonen zijn twee Doesburgse partners in crime die elkaar bijstaan in de misdaad, maar elkaar ook net zo makkelijk weer verraden – als dat hen beter uitkomt.

De jongste van de twee is Marinus Schunck. In 1888, het jaar waarin dit verhaal zich afspeelt, is hij 19 jaar. Hij stamt uit een geslacht van IJsselvissers en zal dat later ook zelf worden. In 1888 werkt hij nog als knecht bij olieslagerij Van Hengel en Lensvelt in de Ooipoortstraat. Nummer twee is Hendrik Hubertus Römer. Hendrik is 33 jaar, timmermansknecht op de Doesburgse scheepswerf en  getrouwd met Berendina Walters. Het stel woont in de Bresstraat. 

Excessief drankgebruik

Beide mannen zullen het niet breed hebben gehad, maar dat is in die tijd gebruikelijk en nog geen reden om het inbrekerspad op te gaan. Wat een belangrijke rol speelt, is het excessieve drankgebruik van in elk geval de oudste dader en zijn vrouw. Om hun drankverslaving te bekostigen moeten ze aan geld komen. Hoe, dat maakt niet uit.

Tabaksdoos

De eerste criminele daad vindt plaats in Doetinchem. Op 21 juli 1888 wordt daar ingebroken bij kastelijn Ter Haar. Schunck bekent bij de rechtbank dat hij enkele dagen vóór de inbraak een ruit in het betreffende pand heeft ingegooid. Hij heeft daarna gewacht tot er weer nieuw glas in is gezet. Dat gebeurt in die tijd nog met stopverf, een soort pasta die heel lang zacht blijft. In de bewuste nacht peutert hij de stopverf rond het raam weg, verwijdert het glas en klimt naar binnen. Hij neemt een toonbanklade met Nederland en Pruisisch (Duits) geld mee ter waarde van ongeveer 45 gulden. Ook maakt hij een zilveren tabaksdoos buit. Hendrik Römer staat al die tijd op de uitkijk, maar ontkent in alle toonaarden dat hij bij de inbraak betrokken is geweest. Hij beweert zelfs Herman Schunck nauwelijks te kennen.

Inbraak bij Van Hengel

De tweede inbraak vindt plaats op 23 augustus van dat jaar. Kennelijk overmoedig geworden door het succes van de eerste kraak, besluiten beide mannen te gaan inbreken bij de olieslagerij van Van Hengel en Lensvelt, in de Kloostertuin achter Ooipoortstraat 44. Dit is een tamelijk groot bedrijf met twee stoommachines en zo’n 34 man personeel. Herman werkt zelf bij het bedrijf en zal dus wel geweten hebben waar de brandkast te vinden was. 

Hij knapt opnieuw het lastigste werk op door vanuit de Kloostertuin eerst over een achterpoortje te klimmen en dan via een schuifraam het bedrijfsgebouw binnen te dringen. Vervolgens schroeft hij aan de binnenkant het slot van de deur en laat zijn maat binnen. De brandkast, die zo’n 250 kilo weegt, wordt door beide heren naar buiten gesjord en op een kruiwagen geladen. Vervolgens gaan de heren naar de haven waar al er een bootje klaar ligt om het gevaarte verder te vervoeren.

Nachtelijke roeitocht

Er volgt een nachtelijke roeitocht over de IJssel. Op een plek waar de mannen zich veilig wanen, breekt Römer met een hamer en een beitel de brandkast open. Er blijkt een vorstelijk bedrag van zo’n 800 gulden in te zitten. Het geld wordt keurig verdeeld en de kast wordt in het water gemieterd. Tevreden vertrekken beide heren met hun geldschat naar huis.

Tot zover het verhaal dat Herman Schunck aan de rechter vertelt als hem wordt gevraagd naar zijn rol in de brandkastkraak. Zijn maat Hendrik Römer is aanzienlijk minder spraakzaam. Ook in deze zaak ontkent hij elke betrokkenheid. Ja, Herman heeft hem wel benaderd om de inbraak samen te ondernemen, maar hij heeft het hem ten stelligste afgeraden. Daarna heeft hij waarschijnlijk een andere maat gevraagd om mee te helpen en die wil hij blijkbaar uit het zicht van justitie houden. En dat is natuurlijk de reden waarom Schunck hem, Hendrik Römer, van deze misdaad beschuldigt.

30 getuigen

Maar deze keer komt Römer er niet zo makkelijk vanaf als dat bij de kraak in Doetinchem. De rechtbank heeft maar liefst 30 getuigen opgeroepen, allemaal uit Doesburg. En allemaal wijzen ze vooral naar Römer als mededader. Hendrik heeft zich namelijk na de criminele daad niet erg ingetogen gedragen.

Zo heeft een van de getuigen, een collega van Römer, ene Versteeg, gezien dat Hendrik in het bezit was van een zilveren tabaksdoos en probeerde die te verkopen. Andere getuigen, bijvoorbeeld de buren van Hendrik Römer, doen verslag van de uitbundige levenswijze van Römer en zijn vrouw, direct na de inbraak. 

‘Altijd feest’

‘Het was daar altijd feest, er was veel aanloop en de jenever werd met flessen tegelijk aangerukt.’ Wanneer Hendrik dronken was, werd hij loslippig. Hij vertelde dan tegen iedereen die het horen wilde: ‘de brandkast is nog niet op.’ Buurvrouw Hamer weet ok nog te melden dat toen de heer Van Hengel eens voorbij was gekomen, Hendrik met een arrogant lachje zei: ‘ Hij moest eens weten dat wij van zijn geld mooi weer spelen.’

Beloning

Römer had vrouw Hamer ook bedreigd. Om ervoor te zorgen dat ze toch vooral niets zou vertellen, met de woorden: ‘Weet je dan niet dat dit soort mensen altijd wapens bij zich hebben?’ tegen weer een ander zei hij: ‘Als deze brandkast op is, halen we gewoon een tweede.’ En tegen getuige Schrader zei Römer nog: ‘ Wil je 300 gulden verdienen? Zeg dan maar dat ik de brandkast gestolen heb.’ Het bedrijf had namelijk een beloning van 300 gulden uitgeloofd aan degene die de dader wist te melden.

Mannenbezoek

Uiteraard wordt Römer in de rechtzaal gevraagd hoe hij kan verklaren dat hij zoveel geld heeft. Hij zegt dan iets dat in de zaal grote consternatie in de zaal veroorzaakt: ‘Mijn vrouw kreeg regelmatig mannenbezoek.’ De afkeuring is vooral zo groot omdat zijn vrouw vlak voor de rechtzitting is  gestorven. Verder antwoordt Hendrik Römer op alle bezwarende getuigenissen: ‘ Het zijn allemaal leugens, iedereen wil tegen mij samenzweren.’

De uitspraak

De eis tegen beide verdachten is zes jaar gevangenisstraf. Als enige tijd later de uitspraak komt krijgt Herman Schunck vijf jaar. Zijn volledige bekentenis geldt als bewijs. Zijn straf is een jaar korter dan de eis omdat hij volledig met justitie heeft meegewerkt. Zo heeft hij de autoriteiten precies de plek gewezen waar de brandkast in de IJssel is gegooid. Zijn maat Hendrik Römer krijgt ondanks al zijn ontkenningen en zijn negatieve proceshouding één jaar minder gevangenisstraf. De rechtbank kan namelijk niet bewijzen dat hij heeft meegedaan aan de inbraak in Doetinchem. Daarvan wordt hij dan ook vrijgesproken.

Een kind overlijdt

Het is extra schrijnend dat, nu Römer in de gevangenis zit en zijn vrouw kort daarvoor is overleden, de kinderen geen ouders meer thuis hebben. De grootouders nemen dus de taak van verzorgers over, maar de kinderen lijden het meest onder het gedrag van de vader. Als op 5 mei 1890 de jonge Hendrikus Römer op achtjarige leeftijd overlijdt, doet zijn grootvader bij de burgerlijke stand aangifte van dit overlijden. Het is niet bekend of vader Hendrik bij de begrafenis aanwezig heeft kunnen zijn.

‘Is daar wel politie?’

Overigens is een half jaar na de inbraak door Herman en Hendrik door onbekenden nog een poging gedaan om bij van Hengel en Lensvelt geld te stelen. Dit was aanmerkelijk minder groot nieuws. Slechts één krant, de Vlaardingse Courant, bericht er over op 6 april 1889, onder het kopje ‘Is daar wel politie?’ De nieuwe brandkast was blijkbaar van betere kwaliteit dan de vorige want het lukte de inbrekers bij die tweede poging niet, ondanks verwoede pogingen, om de kast open te breken. Ook de kast meenemen is die tweede keer niet gelukt. Aangezien de daders van de eerste inbraak toen nog niet waren opgepakt, is het goed mogelijk dat het dezelfde personen waren die het opnieuw hebben geprobeerd. In de rechtszaak heeft deze tweede poging geen rol gespeeld.

Overmatig drankgebruik

Hoe de daders van de eerste inbraak uiteindelijk zijn gevonden, blijkt uit de volgende geschiedenis. Ook hier speelt overmatig drankgebruik een belangrijke rol. Het was de broer van Herman, Johan Schunck, die uiteindelijk voor de arrestatie van Herman heeft gezorgd; hij deed dat echter beslist niet uit ideële motieven.

Christina zint op wraak

Ook Johan heeft een groot drankprobleem en kan behoorlijk agressief worden. In 1889 heeft hij in een dergelijke toestand een politieambtenaar op zo’n manier beledigd dat hij is aangehouden en door de rechter veroordeeld. Hij krijgt daarbij de keus tussen een boete of een tijdje ‘zitten.’ Zijn vrouw, Christina Gerritsen, raadt hem het laatste aan. Daarop barst hij in woede uit. Hij beschuldigt haar ervan dat zij van haar vrijheid wil genieten (lees: met andere mannen aanpappen) terwijl hij in het gevang zit. Christina pikt deze belediging niet en zint op wraak. Ze gaat naar de drogist en koopt daar vitriool (verdund zwavelzuur) dat in die tijd als onkruidbestrijdingsmiddel wordt gebruikt.

Poging tot doodslag

Daags na de ruzie komt Johan ’s avonds in beschonken toestand thuis. Hij gaat meteen naar bed. ‘s Nachts wordt hij wakker van de (na)dorst en vraagt om water. Christina, ook in kennelijke staat, giet hem het zwavelzuur in de mond. Meteen schrikt ze van haar daad en ze biedt hem melk aan om het zwavelzuur te neutraliseren. Toch stapt Johan naar de politie waar hij zijn eigen vrouw aangeeft voor poging doodslag.

Voor de rechtbank vertelt Christina dat ze zich door de thuissituatie zo ellendig voelde dat ze geprobeerd heeft haar man en zichzelf van het leven te beroven. Er wordt een gevangenisstraf van twee jaar tegen haar geëist. De uitspraak van de rechter is echter ongemeen hard. Ze wordt veroordeeld tot vijf jaar gevangenis. Dit gaat zelfs ‘slachtoffer’ Johan Schunck te ver. Hij zoekt haar op in de cel op en verzoent zich met haar.

Verraad

Ze besluiten in hoger beroep te gaan. Wil dat echter kans van slagen hebben dan moet er een goede advocaat komen en die is duur, veel te duur voor Johan en Christina. Dan herinnert Johan zich de inbraak van zijn broer. Hij herinnert zich ook de vorstelijke beloning van 300 gulden die Van Hengel en Lensvelt heeft uitgeloofd voor de arrestatie van de brandkastkraker(s). Vervolgens verraadt hij zijn broer Herman om zijn vrouw zo snel mogelijk uit de gevangenis te krijgen. Of dat ook is gelukt, is niet meer na te gaan. Herman gaf vervolgens zijn maat Hendrik Römer aan en zo is deze zaak opgelost.

Johan overleed in 1902 op 46 jarige leeftijd. De oorzaak van zijn dood is niet bekend maar er is een grote kans dat die alcohol-gerelateerd is. Ze woonden in de Bergstraat. Ze trouwden in 1878 toen Christina, die uit Drempt kwam, nog maar 17 jaar was. Toen het zwavelzuur-incident plaatsvond, was ze 28. Haar leven zal weinig vreugde hebben gekend. Het stel heeft waarschijnlijk geen kinderen gehad, althans die zijn nergens geregistreerd. Over het verdere lot van Christina is niets bekend. 

Herman Schunck, de 19 jarige jongeman die in 1888 zo spectaculair de brandkast heeft gestolen krijgt voor dat vergrijp vijf jaar gevangenisstraf. De vraag is of hij die vijf jaar daadwerkelijk heeft uitgezeten. We komen deze Schunck namelijk weer tegen in november 1933. Hij viert dan zijn 45 jarig jubileum als riviervisser en dat moet gevierd worden.

‘Jeugdzonde’

45 jaar???? Dat zou betekenen dat hij al in november 1888 als IJsselvisser is begonnen. En laat dat nou toevallig het jaar zijn dat hij tot die vijf jaar is veroordeeld.  De conclusie moet dus zijn dat hij vrijwel direct na zijn veroordeling is vrijgelaten of dat hij een andere straf heeft ondergaan die het hem mogelijk heeft gemaakt de visserij te beoefenen. Verder valt op dat hij niet meer met zijn eerste naam Herman, maar zijn tweede naam Marinus bekend is. Dit heeft er waarschijnlijk mee te maken dat hij niet voortdurend met zijn ‘jeugdzonde’ geconfronteerd wilde worden.

Interview

Marinus (Herman) wordt geïnterviewd door de krant ‘Nieuws van de Dag.’ Hij woont op dat moment in een huisje aan de Molenwal, nu Koepoortwal, en is 64 jaar. In het interview geeft hij een beschouwing over de toekomst van de riviervisserij. Hij verwacht dat over 10 jaar de beroepsvisserij op de IJssel geheel zal zijn verdwenen, en daar had hij inderdaad gelijk in. Als belangrijkste oorzaak noemt hij de bouw van de Afsluitdijk, die verhindert dat vis uit de Noordzee via de Zuiderzee de de IJssel kan opzwemmen. 

Marinus Schunck

De foto bij het interview toont Marinus (Herman) Schunck voor zijn huisje aan de Molenwal (Koepoortwal). Bron – Nieuws van de Dag 

Advertentie in de Graafschapbode van 9 april 1946

Hij noemt ook de toenemende vervuiling van de IJssel door de scheepvaart en de waterratten die vis roven uit de netten. Drie jaar later overlijdt Marinus Schunck. Zijn dood wordt aangegeven door zijn zoon Albert Wilhelm die op dat moment tabakskerver is. In 1946 bieden de erfgenamen van ene J.V. (Johan Valentijn) Schunck, waarschijnlijk ook een zoon van Marinus, een complete visserij-inventaris te koop aan in de Windmolenstraat 12. Het lijkt er dus op dat deze Johan Valentijn zijn vader nog als riviervisser is opgevolgd. Dat zou betekenen dat hij nog tot in de oorlog op de IJssel heeft gevist, maar er na de oorlog de brui aan heeft gegeven.