De familie de Gijselaar, deel 1

Een rijksmonument dat weinig Doesburgers kennen

Ga in Doesburg op de Markt staan en vraag aan voorbijgangers om zoveel mogelijk Doesburgse rijksmonumenten op te noemen. De kans is klein dat de graftombe van Geertruida de Gijselaar op de Algemene Begraafplaats erbij zit. Dat is merkwaardig, want bij het passeren van het poortgebouw van de begraafplaats is dit het graf dat meteen opvalt. Er is ter bescherming een overkapping op geplaatst.

Op het graf staan de namen van drie overledenen: de weduwe De Gijselaar, haar zoon en de ‘dienstmeid’. Dat is op zich al aanleiding genoeg voor meer onderzoek, maar toen Margreet Frankot, een van de researchers van HetHuisDoesburg, de naam De Gijselaar aan Alexander Ver Huell  en ‘Klikspaan’ linkte kwam het onderzoek pas echt in beweging. Het was het begin van een lange zoektocht. Dat archiefonderzoek maakte zoals al vaak veel duidelijk, maar kan jammer genoeg (nog) niet alle vragen beantwoorden.

Doesburg Vertelt eindigt daarom dit keer met ‘wordt vervolgd’.

Geertruida Cornelia Henriëtte de Gijselaar

Geertruida is 28 jaar wanneer zij in 1817 in hun woonplaats Leiden trouwt met de twee jaar jongere Franciscus Gerhardus Hoffman. Hoffman, op dat moment luitenant, is de zoon van een apotheker uit Gouda. Geertruida is geboren en opgegroeid in Brussel. Haar vader Cornelis (Kees) de Gijselaar was een van de leiders van het patriottische verzet tegen stadhouder Willem V. die in 1787 ons land hebben verlaten. Op haar tiende is Geertruida zonder haar moeder, die in Brussel is overleden, maar met haar vader, ghaar oudere zus Johanna en haar jongere broer Nicolaas terug in ons land.

Echtpaar Hoffman – de Gijselaar

Geertruida krijgt in haar eerste huwelijksjaar in Gouda haar eerste kind: Johanna. Zij is vernoemd naar de moeder van Franciscus en de oudere zus van Geertruida. Het tweede kind, Cornelis, overlijdt nog geen jaar oud. In 1820 wordt in Gouda het derde kind geboren, Cornelis Nicolaas. Cornelis is de zoon die bij zijn moeder in de graftombe in Doesburg ligt. Dochtertje Johanna wordt volgens een bericht in de ‘Opregte Haarlemsche Courant van 27 oktober 1832 niet ouder dan 14 jaar: Zij overlijdt ‘na een langdurig lijden, aan eene long-teering….Wij betreuren met ons eenig overgebleven Zoontje diep haar smartelijk verlies’. Het bericht is opgemaakt in Huize Groenendaal bij Hilvarenbeek en ondertekend door mr. F.G. Hofmann.

Kort daarna, in februari 1833, wordt Franciscus vermeld als lid van het departement Doesborgh van de Maatschappij tot Nut van ’t algemeen. Dat maakt het aannemelijk dat zijn gezin inmiddels ook in Doesburg woont. Bovendien duikt Franciscus in 1839 op omdat hij (‘advocaat te Doesburg’) intekent op het Aardrijkskundig woordenboek. Over de eerste Doesburgse jaren is nog veel onduidelijk. Bronnen spreken over ‘rentenier’ en ‘lid van de Frans Waalse gemeente’. Ook worden verschillende adressen genoemd in onder andere de Veerpoortstraat en de Koepoortstraat.

Dat het huis ‘Acanthus’ aam de Koepoortstraat nummer 20 door de familie is bewoond is aannemelijk. Franciscus woont tot maart 1845 in Doesburg maar overlijdt dat jaar in ‘het huis van zijn broer’in Gouda. Hij wordt in Gouda begraven. Drie weken later is het overlijden ook bekend bij ‘Folkert Ripperda wethouder en ambtenaar van de Burgerlijke stand der stad Doesborgh’.

Geertruida’s broer: Nicolaas Cornelis

Behalve Geertruida heeft ook haar jongere broer Nicolaas een fiks aantal jaren in Doesburg gewoond. Daarover later meer. Nicolaas vecht in 1815 bij Waterloo en krijgt het jaar daarna eervol ontslag als ritmeester. In 1817 is hij getuige bij het huwelijk van zijn jongste zus Geertruida. Nicolaas blijft lang ongehuwd. Hij woont tot 1825 op kasteel Zuylenstein bij Amerongen ‘waar hij zich met onderscheidende liefhebberijen, voornamelijk tuinbouw waarvan hij veel kennis had, bezighield’.Dit citaat uit 1875 is van de hand van J. Kneppelhout, de zoon van Johanna, de oudste zus van Nicolaas en Geertruida.Johanna is in 1812 met Cornelius Johannes Kneppelhout getrouwd. Zij zijn de ouders van Johannes Kneppelhout (1814) en Karel Jan Frederik Cornelis Kneppelhout (1818) en wonen in Leiden. Johanna’s man overlijdt in het jaar dat de jongste zoon wordt geboren.

Oom Nicolaas wordt ‘steun en toeverlaat’ voor beide zoons en keert vanuit Amerongen in 1825 terug naar Leiden waar hij diverse publieke functies gaat bekleden. Daarnaast is hij actief als etser en graveur en legt hij een grote verzameling tekeningen aan.

De broers Kneppelhout

Johannes, de oudste Kneppelhout, pakt in 1831 een rechtenstudie op. Hij wordt bekend onder het pseudoniem ‘Klikspaan’. Johannes is een goede bekende van de in Doesburg geboren Alexander Ver Huell, die na in Leiden een kostschool te hebben bezocht er in de jaren veertig ook rechten studeert. Het is Johannes die Alexander introduceert bij zijn oom De Gijselaar. Bekend is dat Alexander in zijn Leidse jaren elke vrijdag op bezoek gaat bij deze Nicolaas.

Johannes trouwt in 1845 met zijn achternicht en koopt in 1847, aanvankelijk als zomerverblijf, een buiten in Oosterbeek. De jongste Kneppelhout is getuige bij het huwelijk dat zijn oom in 1855, Nicolaas is dan 62, sluit met Hermina Seppenwolde van 71.

Echtpaar De Gijselaar-Seppenwolde en Doesburg

Doesburg is in die tijd een fikse stad en telt zo’n 4300 inwoners (Doetinchem heeft dan 2246 inwoners). Het echtpaar vestigt zich aan de Paardenmarkt. Hier woont ‘rentenier’ N.C. de Gijselaar met ‘om de hoek’ in de Koepoortstraat zijn zus Geertruida, haar zoon Cornelis en hun dienstmeid Gerritje Harmsen, die in 1816 is geboren in Hoog-Keppel. Neef Johannes Kneppelhout is steeds vaker in Oosterbeek te vinden en Alexander Ver Huell woont na zijn promotie in Leiden, net als zijn ouders, in Arnhem. In 1865 brengen beide heren nog een bezoek aan Nicolaas en zijn vrouw in Doesburg. Een jaar later overlijdt Hermina. Dat is voor Nicolaas het moment om terug te gaan naar Leiden waar hij in 1873 overlijdt.

Geertruida’s grafmonument

Zus Geertruida leeft dan al niet meer. Zij overlijdt twee jaar eerder in 1871, en wordt begraven op de Algemene Begraafplaats. De graftombe komt in 1872 gereed en is gemaakt door ‘beeldhouwer/steenhouwer/schrijnwerker’ Jan Bernard Leverman, woonachtig en werkzaam aan de Paardenmarkt! In 1875 overlijdt Gerritje Harmsen en vijf jaar later overlijdt Geertruida’s zoon Cornelis. Er wonen dan geen familieleden meer in Doesburg. Bruinis Coenraadts, de man van een jongere zus van dienstmeid Gerritje Harmsen, doet aangifte van zijn overlijden.

Wordt vervolgd …


Colofon
Met dank aan: Erik ter Beek, Jose Meuwese, Nicolet Vree, Burgemeester Loes van der Meijs
Research: José Meuwese, Margreet Frankot
Video-registraties: LiViPro Mediaproducties en HetHuisDoesburg

Beelden en foto’s: LiViPro, Rijksmuseum en Wikimedia
Bronnen: Streekarchivariaat, Monumentengids Doesburg,  Biografisch Woordenboek Gelderland, Waaklichtjes op de Molenberg van Ben Speijdel, Doesburgs Adresboek uit 1863, diverse websites waaronder die van Delpher, Gelders archief, Geneanet, Family Search, RKD, edepot/wur, Dbnl en Wikipedia

Eindredactie: Theo Maas
Vormgeving: Han Jansen

Voor wie meer wil weten:

Graftombe De Gijselaar >

Het monumentenregister omschrijft het graf zo:
‘De tombe bestaat uit een rechthoekig liggende steen op een lage rechte voet waarop zich een rechthoekige sarcofaag met hellende bovenzijde bevindt. De sarcofaag is bedekt met een geplooid, marmeren ‘kleed’ met geschulpte rand, dat op zes plaatsen door zware koorden opgenomen wordt. Op deze punten zitten vlinders of duiven. Op het kleed ligt een vaandel, versierd met franje en dubbele koorden en knopen, waarop de gegevens van de drie overledenen staan:
“GEBOREN 7 JUNI 1789/ OVERLEDEN 14 JAN 1871/ GEERTRUIDA CORNELIA HENRIETTE/ DE GIJSELAAR/ WEDUWE/ MR. FRANCISCUS GERHARDUS HOFFMAN/ GERRITJEN HARMSEN/ GEBOREN 19 DECEMBER 1816/ OVERLEDEN 6 AUGUSTUS 1875/ CORNELIS NICOLAAS HOFFMAN/ GEBOREN 21 SEPTEMBER 1820/ OVERLEDEN 28 JULI 1890”.
Boven het vaandel ligt een cartouche met een laag geplooide stof, een laag gesteven kant en een laag stof met een rijk geornamenteerde rand. Deze rand is versierd met allerlei symbolen zoals: een oog, een vinger en een oor, een duim en een wijsvinger die een bloem vasthouden, vogels, insecten en een kleine figuur van een mens die ergens onderuit kruipt. In het midden van dit geheel ligt een rouwkrans van wolken, waarin een bazuinengel zweeft. Onder het vaandel met de namen bevindt zich een cirkel met het opschrift:
“J.B. LEVERMAN/ FECIT/ 1872/ DOESBORCH”.

Om de tombe staat een hekwerk met rijk geornamenteerde gietijzeren hoekzuiltjes en gebogen smeedijzeren spijlen die aan de bovenzijde zijn voorzien van naar buiten gebogen gietijzeren eikenbladeren met eikels en lege eikeldoppen. De zuiltjes en de bladeren zijn kopergroen, de eikeldoppen lichtgroen en oranje. Uit de bovenzijde van de zuiltjes steken deels afgebroken schroeven, waarop voorheen de S-vormige steunen van het baldakijn waren bevestigd. Tombe en hekwerk staan op een vernieuwde kelderzerk van beton’.

1 mei 1829: Algemene Begraafplaats gereed >

In september 1827 kondigen Provinciale Staten aan dat vanaf 1 januari 1829 niet meer mag worden begraven in kerken en kapellen binnen de bebouwde kom. In steden met meer dan 1000 inwoners mag bovendien niet meer op kerkhoven binnen de stadsmuren worden begraven. De maatregel leidt in Doesburg tot een intensieve zoektocht naar een goede locatie. Na rijp beraad wordt die locatie gevonden: de algemene begraafplaats komt op het ‘Molenbolwerk’ ten noorden van de Meipoort, de oostelijke stadspoort, die de Meipoortstraat verbindt met de Kraakse Allee of Kraakselaan.

Begin december 1828 moet de Raad constateren dat 1 januari 1829 niet wordt gehaald. Er gaat een schrijven naar de Provincie: de grond is nog niet voldoende bezonken om er lijken in te begraven. In zijn antwoord van 15 december 1828 meldt de gouverneur van Gelderland dat dit ontoelaatbaar is. Een kleine twee weken later, op 26 december, deelt diezelfde gouverneur in het Provinciale Blad echter mee dat er voorlopig nog op de kerkhoven begraven mag worden, aangezien verschillende begraafplaatsen nog niet gereed zijn.

In maart 1829 moet het poortgebouw nog worden gebouwd. Uiteindelijk kan de begraafplaats op 1 mei 1829 in gebruik worden genomen. Een jaar later volgt de R.K. begraafplaats, ook aan de weg naar Doetinchem, de Kraakse Allee of Kraakselaan.

Voormalig burgemeester als eerste begraven
Kort na het gereedkomen van de Algemene Begraafplaats wordt oud burgemeester E.A. Ver Huell, naar het zich laat aanzien op 13 mei 1829, er als eerste begraven. Het loopt geen storm in 1829! Dat jaar volgen nog L.J. van Rappard op 22 mei, L. Loeven, (huis)vrouw van J.G. Ruhland. In augustus nog de dochter van J. Jansen, Aleida en in september J.A. Grupper. In oktober Justus E. en in december Marinus, het kindje van H.G. Wolbers.